Door: Theo Giele, Dagblad BN/DeStem, donderdag 2 maart 2017

"We zijn weer terug bij af."

Loopt straks het water over de stormvloedkering door stijging van de zeespiegel? Het KNMI denkt dat dit eind deze eeuw kan gebeuren. "De toekomst van de Deltawerken moet daarom hoog op de agenda komen, anders zijn we te laat." zegt ingenieur Frank Spaargaren.

Ingenieur Frank Spaargaren - Foto: Rolf Hensel

“We staan weer voor dezelfde ingrijpende keuzes als zestig jaar geleden. Door het stijgen van de zeespiegel zijn we weer terug bij af.”


Zelf woont ingenieur Frank Spaargaren (1940) al weer jaren hoog en droog in Oosterbeek bij Arnhem. Toch liggen Zeeland en de rest van de Zuidwestelijke Delta hem nog na aan het hart.
Als jonge ingenieur kreeg hij begin jaren zeventig de leiding over de afsluiting van de Oosterschelde. Onder zijn supervisie werd de in 1986 voltooide stormvloedkering gebouwd.
Zout of zoet. Open of afgesloten zeearmen. Dat zijn de vragen die opnieuw voorliggen. De tijd van kleine aanpassingen en deeloplossingen is volgens hem voorbij.

“De hoofdlijn is nu de adaptatiestrategie. Volgen wat zich voordoet. Op zich begrijp ik dat, maar als je voor het einde van deze eeuw een ingrijpende trendbreuk ziet aankomen, moet je de gevolgen onderzoeken. Besluiten die op de korte termijn genomen moeten worden, zoals een zout of zoet Volkerak-Zoommeer, moeten passen in een langetermijnvisie. De Delta, van de Nieuwe Waterweg tot de Oosterschelde, moet als één samenhangend geheel worden ingevuld.”

De trendbreuk is te zien op een grafiek van het KNMI. De zeespiegel stijgt, dat is zeker, maar hoe verder in de tijd, hoe groter de marge in de voorspelling. Voor het einde van deze eeuw maximaal één meter.


Spaargaren laat op tekeningen zien wat één meter zeespiegelstijging voor de Oosterscheldekering en de Haringvlietsluizen betekent.
"Om de veiligheid op het huidige niveau te houden zijn kostbare aanpassingen nodig. In beide gevallen zijn de technische aanpassingen zeer ingrijpend en in het licht van een verdere zeespiegelstijging niet realistisch.”, zegt Spaargaren.
Hij neemt de stormvloedkering als voorbeeld. Het water loopt er bij een stormvloed over de bovenbalk heen. “De bovenbalk moet waarschijnlijk worden vervangen. Het is de vraag of de pijlerwand de grotere krachten kan opnemen. De koker waarop de verkeersweg ligt moet omhoog. De golven zouden er anders tegenaan slaan met het risico dat de koker verschuift.
De scheepvaartsluis moet worden aangepast, de havendammen verhoogd.
De stortstenen aansluitingen tussen de oevers en de eerste pijlers moeten hoger en breder worden.”


En wat is nog de zin van een halfopen dam?
Spaargaren: “Door het stijgen van de zeespiegel blijft er van de platen nauwelijks iets over. Bij sommigen leeft de gedachte, dat bij een open Oosterschelde zand vanuit de Voordelta naar binnen komt, waardoor de platen in de Oosterschelde op hoogte blijven of zich herstellen. Het spijt me, vergeet dat maar. De Oosterschelde heeft door de daar heersende stromen een erosiekarakter en was jaren de zandmotor voor de rest van de kust. De erosie stopte nadat de kering enige jaren in gebruik was, maar toen was inmiddels ruim 500 miljoen kubieke meter zand naar zee verdwenen.”

Dicht
De kering moet door de stijging van het water straks dertig keer per jaar dicht, vaak meerdere hoogwaters achter elkaar.
“Het karakter van het Oosterscheldebekken verandert zeer ingrijpend. Het geheel betekent mijns inziens tegen het jaar 2100 het einde van de dan inmiddels ruim honderdjarige stormvloedkering.
Het jaar 2100 is nog ver weg, maar de voorbereidingen op de mogelijke forse stijging van de waterspiegel moet nu al beginnen.
De tijd van kleine stapjes is voorbij.


“De adaptatiefilosofie, hoe begrijpelijk ook in het licht van de onzekerheden in de klimaatontwikkeling, werkt belemmerend op de ontwikkeling van een langetermijnvisie. Sterker nog, die blijft buiten beschouwing. Er wordt wel gesproken over een doorkijk, maar dat is onvoldoende. Zolang in de klimaatscenario’s van het KNMI één meter zeespiegelstijging in 2100 mogelijk wordt geacht, moeten we de gevolgen van dat scenario op redelijk korte termijn in beeld brengen. In 2020-2025 moet dat helder zijn. Als langer wordt gewacht, is het gevolg dat bijvoorbeeld de optie met open zeearmen afvalt. Er is dan eenvoudig te weinig tijd om alle noodzakelijke maatregelen uit te voeren.
Dat geldt zeker voor de situatie rond de Nieuwe Waterweg, omdat de Maeslantkering in 2070 is afgeschreven.”

Overboord
Bij de ontwikkeling van het nieuwe Deltaplan moeten een paar dogma’s overboord. Neem de Maeslantkering in de Nieuwe Waterweg. Die zou vervangen kunnen worden door een voor het achterland veel veiliger en bedrijfszekerder sluizencomplex. Iets wat in Rotterdam volstrekt onbespreekbaar is.


“Maar waarom?” vraagt Spaargaren zich af. “Antwerpen met zijn havendokken achter de zeesluizen groeit op dit moment harder dan Rotterdam.”
Minister Schultz-van Haegen liet, op aandringen van de Tweede Kamer, Spaargaren en een aantal collega’s uitwerken wat het afsluiten van de Nieuwe Maas zou betekenen. Haar conclusie; “Het Plan Sluizen bij de vervanging van de Maeslantkering als een volwaardig alternatief in de beschouwing meenemen. Deze beschouwing start op basis van de huidige inzichten en kennis naar verwachting rond 2040.”


Spaargaren vindt dat we niet kunnen wachten tot dat jaar.


Zelf heeft hij vier opties in kaart gebracht.


“Ik pleit voor een fundamentele analyse. Er is een sterke stroming, ook in de politiek, die uit ecologische overwegingen pleit voor open zeearmen, waarin het zoute getij terugkeert. Vanuit het oogpunt van optimale veiligheid, beschikbaarheid van zoet water en terugdringen van verzilting, pleiten anderen voor het volledig afsluiten van de zeearmen.
De voor- en nadelen van beide opties moeten breed in kaart gebracht worden. Wat niet werkt is het sterk benadrukken van één aspect, in de hoop daarmee een keuze te kunnen forceren.”